header

Eigenschappen van een goede geleider

  1. De geleider leert zijn hond het best de oefeningen aan door " Geduldig te oefenen " en een aangepaste beloning te geven op het moment dat het gewenste bevel wordt uitgevoerd.
  2. Door gewenst gedrag passend te belonen, zal dat gedrag vaker worden herhaald en niet zo snel verdwijnen.
  3. De grootte van de beloning moet altijd in verhouding staan tot de moeilijkheidsgraad van het verlangde gedrag. Honden ervaren een beloning op hun eigen manier. Probeer dus te achterhalen welke soort beloning bij de hond past.
  4. "Leren" moet plezierig zijn! Het is dan ook beter om dagelijks twee of drie keer een tiental minuten te oefenen met daartussen enkele uren pauze dan een langere tijd aan één stuk door te oefenen. Bovendien leren vermoeide honden niet gemakkelijk iets aan en geestelijke prestaties vermoeien de hond vlugger dan lichamelijke inspanningen.
  5. Begin iets aan te leren in een rustige omgeving en ga pas in meer "opwindende omstandigheden" werken als het gewenste gedrag wordt uitgevoerd.
  6. Elke hond moet leren "zitten", "liggen", "staan", "blijven", en "komen". Straf een hond niet als hij een bepaalde oefening niet uitvoert, maar keer gewoon een niveau terug.
  7. Gebruik de naam van de hond enkel om "aandacht te trekken" en kies voor elke oefening een bevel dat uit één woord bestaat. Een consequent bevel is dan: "Bobby, zit!", waarbij de naam van de hond dient om aandacht te vragen en "zit" de uit te voeren opdracht is.
  8. Als de hond naar de bevelen van één persoon luistert, leer hem dan daarna om ook te luisteren naar dezelfde bevelen door de andere leden van het gezin. Zo leert de hond zijn plaats kennen onder alle mensen in de "roedel".
  9. Gebruik straffen zo weinig mogelijk en op de juiste manier: ze kunnen immers het tegenovergestelde effect bereiken. Een "natuurlijke berisping" met een luide stem of kwade blik is vaak al voldoende.